Edu Nandlal leerde van de rampen in zijn leven

Door Ton van den Berg


Edu Nandlal op een muurtje in Wijk C waar hij woont

Voor de oud-profvoetballer Edu Nandlal (FC Utrecht, FC Emmen, Vitesse) is de datum 7 juni met diepzwarte inkt geschreven. Ieder jaar beleeft hij die dag opnieuw de ramp met het SLM-vliegtuig in 1989, die hij als een van de weinigen overleefde. Hij weet dat het verdriet bij de nabestaanden nog altijd groot is. Hoe groot, dat ontdekte hij pas veel later, bij een nieuwe ramp.

,,Andy Scharmin was in 1989 een belofte. Hij speelde, 21 jaar oud, bij FC Twente en had ook in Jong Oranje gestaan. Hij was een voorbeeld voor Surinaamse jongens van wat je kon bereiken. Maar hij is er niet meer, net als zoveel andere spelers uit het Kleurrijk Elftal. En ik, ik ben er nog wel.
De tijd gaat snel. Het is alweer achttien jaar geleden, maar het verdriet bij de nabestaanden is er nog steeds en is groot. Pas nadat ik een andere ramp meemaakte ervoer ik hoe die pijn voelt. Na de crash was ik een andere Edu geworden, heb er jaren over gedaan om dat ongeluk voor mezelf te verwerken. Keek alleen naar mezelf en wist niet half wat voor impact de dood van al die mensen had gehad op hun nabestaanden.
Op 7 juni 2001, weer die datum 7 juni, kreeg ik van artsen in het ziekenhuis te horen dat mijn zoontje Riva, van vijf jaar, ongeneeslijk ziek was. Hij had een hersencelstamtumor. Hij is later in m’n armen gestorven. Drie maanden na zijn dood was er mijn scheiding.
In die tijd heb ik ontdekt wat verdriet is en wat voor pijn je ondergaat als iemand die je lief hebt overlijdt. Tot op het bot heb ik dat gevoeld.
Pas geleden speelden de Suriprofs, de opvolger van Kleurrijk, tegen Jong Oranje maar ik ben niet gegaan. Ik kamp met mijn gezondheid, ik loop weer slechter als gevolg van m’n dwarslaesie waaardoor m’n nieren niet goed functioneren. Ik ben wel eerder bij de Suriprofs geweest, maar dat viel me niet altijd makkelijk. Iedereen denkt dan aan al die omgekomen voetballers, en ik zit daar als een van de drie die het overleefd hebben. Dat geeft een raar gevoel.
Veel nabestaanden hebben mij opgezocht om van me te horen wat er is gebeurd bij het ongeluk en of ik nog iets kon vertellen over hun vader, broer of zoon. Piet de Ruiter, die een bestuursfunctie had bij Kleurrijk, zat in een rij voor me in het toestel. Zijn zoon was in 1989 nog een kleuter, die vroeg me een tijdje terug wat ik nog over zijn vader kon vertellen. Ik heb hem eerst meegenomen naar Galgenwaard om naar FC Utrecht te kijken en daarna heb ik hem alles verteld over die dag. Dat ik op Schiphol, voor het vertrek, ook nog even met Piet heb gesproken en hoe hij voor me zat in het toestel. Voor die jongen, die zijn vader nog maar vaag kan herinneren, was alles wat ik nog wist belangrijk.
Ook met de kinderen van Lloyd Doesburg, die achter mij zat, heb ik veel gepraat. Maar er waren ook mensen die ik moest teleurstellen omdat ik niet met iedereen tijdens die vlucht heb gesproken of heb gezien wat ze onderweg deden.
Sigi Lens en Fred Patrick zaten ook in de rij achter mij. Naast mij in rij 27 zat Jerry Haatrecht en Frits Goodings. Voor mij zat Piet de Ruiter, Ortwin Linger en Virgil Joemankhan.
We waren met veel vertraging vertrokken van Schiphol, het was rond middernacht en iedereen was moe. Maar toen we eindelijk in de lucht waren begonnen de muzikanten van café de Dravers uit Amsterdam te zingen. Er was opluchting dat we eindelijk onderweg waren. Er was een gevoel van het schoolreisje dat begonnen was.
De vlucht over de oceaan ging gladjes. We aten wat, spraken met elkaar. Hoe meer we Suriname naderden werd het stiller aan boord. Veel mensen sliepen. En toen ik de lichtjes van Paramaribo zag was het muisstil, alleen de motoren van het vliegtuig kon je horen.
Ik kon niet slapen, ik was te zenuwachtig. In 1980 was ik naar Nederland gekomen en voor het eerst keerde ik terug. Om naar buiten te kunnen kijken had ik nog van stoel verruild met Jerry Haatrecht. Terwijl ik naar buiten keek kon ik de tropen ruiken en luisterde naar het harde suizen van de motoren omdat de landing was ingezet. Ik zag de lichtjes van de landingsbaan, maar ik wist dat het toestel eerst een bocht moest maken. Dat gebeurde ook, ik zag de lichten niet meer en toen was er die klap en een golf van angst sloeg over me. Het suizen werd harder en deed zeer aan mijn oren terwijl ik voelde dat het vliegtuig omhoog trok. Op dat moment nam iets me in z’n macht en ik raakte in een shock. Ik mocht dit blijkbaar niet bewust meemaken, maar misschien is het ook gewoon zo dat door de klap alles in mijn geheugen is weggevaagd. Ik heb reddingswerkers gesproken en ik ben zelfs nadat ik in een auto was gezet, de jungle weer ingelopen. Ook de vijf dagen die ik een ziekenhuis heb gelegen in Paramaribo ben ik helemaal kwijt.
Maar toch weet ik ook dat ik regen en kerosine heb geroken, mensen hoorde bidden en een blauwe lucht zag. Ik kon het alleen niet linken aan wat er gebeurd was. De brandweerman die mij vond was een jongen met wie ik op school had gezeten. ‘Ben jij Edu’, had hij gezegd en ik zei volgens hem: ‘Hoi Baran, wat leuk. Weet je dat we hier komen voetballen!’
In het VU-ziekenhuis in Amsterdam kwam ik weer bij mijn positieven en drong er door wat er gebeurd was. Ook dat ik, een gezonde jongen, een voetballer, opeens niets meer kon. Reddingswerkers hadden mij opgetild en daarbij zijn mijn zenuwbanen in mijn ruggenmerg beschadigd geraakt. Dertien maanden zat ik in een rolstoel en om mijn benen te ontzien zou ik eigenlijk nog steeds in een rolstoel moeten, maar zolang ik kan lopen blijf ik dat doen.
Ik was vroeger helemaal geen goede voetballer. Ik was de slechtste van het Kleurrijke Elftal. Maar ik hield het overal vol vanwege mijn instelling. Ik werkte hard en was altijd correct. Bij FC Utrecht, waar ik alleen maar in het tweede speelde, bij FC Emmen en bij Vitesse ben ik altijd welkom. Ik heb ook nog veel vrienden in het voetballen. Sturing van Vitesse is een goede vriend, en met Gert Kruys van FC Dordrecht praat ik veel over het voetbal en het leven. Dat je ook moet ontspannen. Voetballers zijn van die machines geworden die alleen oog hebben voor hun ego. En hun ego is weer gecreërd door hun omgeving. Ze zijn niet authentiek meer. Dat is jammer want authenticiteit brengt passie en succes in het leven.
Die authenticiteit streef ik ook na. Dat maakt dat ik sterk ben in die dingen die het hart roeren. Daarom deed het me zo zeer toen ik hoorde dat de Suriprofs, ondanks al de goede dingen die ze doen voor Surinaamse jongeren, geen minuut stilte hebben gehouden bij de wedstrijd tegen Jong Oranje. Hoeveel moeite is het om dat even te doen? Voor de nabestaanden van de jongens van Kleurrijk is het zo belangrijk. Ik hoop dat het bij een volgende keer niet vergeten wordt.’’



Inhoud