Maliebaan, straat van beweging en tegenbeweging

Door Ton van den Berg


Wout Buitelaar op de Mailebaan. Foto Ton van den Berg

Nummer 71 is de illegale stencilpost van het verzetsblad De Vonk en later De Waarheid. De Beauftragte Reichskommissar zetelt op nummer 15 en de Germaanse SS heeft het pand op nummer 66 gevorderd. Aan de overkant, op 72 bis, woont verzetstrijdster ‘Dr. Max’ Marie Anne Tellegen. Precies daarnaast in dat mooie witte pand, nummer 74, is de Sicherheitspolizei gevestigd. En verderop zit de landwacht van de NSB. Wout Buitelaar bevindt zich in een andere tijd, meer dan zestig jaar terug, en wijst de panden aan. Voor hem is de statige Maliebaan die plek waar de Beweging (de NSB), de tegenbeweging (het verzet) en de Duitse bezetter boven op elkaar zaten.

Het heden van de Maliebaan is dat het nu een van de duurste kantoorlocaties van Nederland is. De historie van de Maliebaan is dat er in de 16e en 17e eeuw het Maliespel werd gespeeld waarbij een houten bal met zo weinig mogelijk slagen tussen twee palen moest worden geslagen. En er is de oorlog, de Tweede Wereldoorlog, die zijn stempel heeft gedrukt op de sjiekste straat van Utrecht doordat er diverse kantoren van de Duitse bezetter gevestigd waren. En het was, al vanaf 1937, de locatie van het hoofdkantoor van de Beweging, de fascistische NSB.

 

Buitelaar woont op de Maliebaan en weet z’n oorlogstijdburen bijna allemaal bij naam op te noemen. Weliswaar werd hij in de laatste oorlogsweek in Den Haag geboren en woonde hij een groot deel van zijn jeugd in Vlaardingen waar hij als vakantiewerk haringen in een ton stopt, maar de Maliebaan in de periode ‘40- ‘45 kent voor hem weinig geheimen.

In 1992 komen de hoogleraar bedrijfsorganisatie en arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam, Wout Buitelaar, en zijn vrouw aan de Maliebaan wonen. Op zich niets bijzonders, maar de professor wordt emotioneel geraakt als hij het verhaal hoort over de Utrechtse chemiestudent Geertjan Lubberhuizen die in de oorlog het gedicht ‘De Achttien Dooden’ van Jan Campert clandestien uitgeeft en met de opbrengst het zogeheten Kindercomité, dat joodse kinderen in veiligheid brengt, financieel ondersteunt.

Het Kindercomité maakt onder meer gebruik van Maliebaan 72 bis. Dat is het pand aan de overkant van zijn woonhuis, stelt Buitelaar vast. Geertjan Lubberhuizen, zo gaat het verhaal verder, blijkt ook diverse keren zich te hebben moeten melden bij de Sicherheitspolizei, op nummer 74, nadat hij zich in een publicatie laatdunkend had uitgelaten over een Nazi-film. “Die Lubberhuizen is dus diverse keren daar aan de overkant naar binnen gegaan. Dat intrigeerde mij. Alles wat ik met de oorlog heb gaat terug naar de tijd dat ik als kind in Vlaardingen woonde en hoorde over de Geuzen, een van de eerste verzetsgroepen in Nederland. Het gedicht van Campert herinnert aan hen en werd nu een schakel voor mij met iets dat hier aan de overkant van de straat is gebeurd.”

Buitelaar had ook al eens een tv-documentaire gezien over een schietincident in Oudwijk waar op 7 mei 1945 tien leden van een arrestatieteam van de Binnenlandse Strijdkrachten door Duitse soldaten werden gedood. Het voedt zijn interesse voor de Utrechtse oorlogshistorie dat ook nog eens een extra duw krijgt als hij een radiodocumentaire hoort over de Maliebaan in oorlogstijd.

Buitelaar start met het verzamelen van informatie over het oorlogsverleden van zijn woonomgeving en dat spreekt al snel rond want in 2005 vraagt het Bewonerscomité Maliebaan en Omgeving hem er een lezing over te houden in de Leeuwenberghkerk. “Daar begon te spelen dat ik over het onderwerp misschien maar een boek moest schrijven.”

Dynamiek

Van schrijven weet de hoogleraar wel het een en ander want hij publiceerde tientallen boeken over arbeidsprocessen, zijn vakgebied, en schreef columns in het blad OR-Informatie. Een van de belangrijkste boeken waar hij bij betrokken is, vindt hij zelf, is die over de negentigjarige historie van Algemene Werkgevers Vereniging Nederland. “Ik ben zelf altijd een vakbondsman geweest en daarom was het vrij speciaal dat ik voor die klus werd gevraagd. Maar ik heb ook over de geschiedenis van de onderwijsbond ABVA een boek geschreven. Daar was bestuurder Jaap van der Scheur toen nog heel trots op.”

Een ander boek van zijn hand is die over de DSM in Geleen die in een eeuw van een kolenmijn uitgroeide naar een multinational in vitamines. “Mijn vak is het lezen van organisaties. Hoe die in elkaar steken en wat de dynamiek is. Bij de DSM was dat Door Slim Management en Door Slimme Medezeggenschap. Die techniek van kijken paste ik ook toe bij mijn onderzoek naar de Maliebaan. Mijn studenten zeggen dan altijd ‘daar heb je Buitelaar weer met z’n driehoek’, maar er zijn vaak drie polen in een organisatie. Dat zag je bij de NSB met de leider Mussert en z’n medebestuurders Rost van Tonningen en Van Geelkerken die zo hun geheel eigen belangen hadden. Maar ook in het verzet waren van diezelfde dynamische krachten aan het werk en dan is het heel goed om dat te zien en de logica ervan te onderscheiden.”

Na de lezing in de Leeuwenberghkerk begint het eigenlijke onderzoekswerk voor Buitelaar die, al is het onderwerp niet zijn vakgebied, van de Universiteit van Amsterdam alle medewerking krijgt. “Ik heb vooral veel getuigen gesproken: mensen die in het verzet hebben gezeten. Dat was niet zo eenvoudig want de meesten vinden het niet nodig erover te praten want het was volgens hen toch gewoon iets wat je deed! Als ze toch bereid waren er over te praten leek het alsof ik met ze in een donkere kamer trad, die we even bezochten en als de deur weer dicht ging werd er niet meer over gesproken.”

“Het verzet was als een loopbaan. Je rolde erin en voor je het wist was het een belangrijk deel van je leven. Alleen moest je de schijn ophouden, de schijn van het gewone. Je moest vooral zoveel mogelijk gewoon doen. Mevrouw Tellegen woonde met een assistente, Janneke Schwartz, naast de Sicherheitspolizei en huldigden in feite de stelregel ‘hoe dichter bij de vijand, hoe veiliger’. De Duitsers vonden het tweetal maar ‘uninteressante Damen’ terwijl op hun bureaus lijsten met namen lagen waaronder die van de onbekende Dr. Max, een man dachten ze maar dat was Tellegen die niet alleen actief was in het Kindercomité maar ook in de eerste oorlogsjaren hoofdverspreidster van de Utrechtse editie van Vrij Nederland verspreidde en verder betrokken was bij de Spoorwegstaking in 1944. Een bijzondere vrouw.”

Judenweib

Een goederentrein rijdt luid en duidelijk achter het huis van Buitelaar langs richting het Spoorwegmuseum voorheen het station Maliebaan, de plek waar in de oorlog 1200 tot 1400 Utrechtse joden richting Westerbork vertrokken en later in de concentratiekampen terecht kwamen. Slechts tientallen van hen zouden na de oorlog terugkeren.

“De joodse motorcoureur Leo Steinweg is met de trein vanaf het station Maliebaan weggevoerd, hij zou in 1945 in Auschwitz overlijden” zegt  Buitelaar. “Dat is ook weer zo’n apart verhaal. Ik was voor mijn onderzoek op zoek naar Levij Hartog, een Joodse slagerskeurmeester, en via via kom ik in contact met ene Emmy Herzog in Münster die net als Hartog in de Hartingstraat had gewoond maar, dat blijkt als ik met haar ga praten, niet met Levij te maken had. Haar Utrechtse vriendin vertelde me het verhaal over Emmy's toenmalige echtgenoot de motorcoureur Leo Steinweg die voor de oorlog uit Duitsland naar Utrecht gevlucht was en daar in augustus 1942 verraden werd. Emmy, die niet-joods was, werd na de arrestatie op de Maliebaan 74 verhoord en tot haar verwondering meteen weer vrijgelaten want de Duitse politieofficier bleek een vooroorlogse fan van Steinweg geweest te zijn. Ze mocht gaan en werd van ‘judenweib’ een coureursvrouw.”

Herzog schreef op 96-jarige leeftijd een boek over haar Utrechtse oorlogservaringen. Een exemplaar ervan ligt op een tafel in de werkkamer van Buitelaar. Er liggen nog tientallen andere boeken, stapels aantekeningen, videobanden en een wirwar aan kopietjes. “Hier ligt alle informatie. Ik heb het nog niet opgeruimd,” vertelt Buitelaar terwijl hij het boek De Maliebaan van de schrijver-dichter Frank Chapel in z’n hand neemt. “Als mijn boek is gepresenteerd kan ik aan het opruimen beginnen. Dan kan ik er een streep onder zetten.’’

“Mijn blik op de Maliebaan en z’n omgeving is sinds ik hier ben komen wonen stevig veranderd. Ik heb ontdekt dat er conciërges, ondernemers zoals Fentener van Vlissingen, studenten, middenstanders en ambtenaren waren die ieder op hun manier in het verzet waren. Dat kon met onderduikhulp zijn, of iets in de administratie of door illegaal drukwerk te maken. Een andere kijk op je woonomgeving is niet zo verwonderlijk. Het is een kwestie van beter kijken, dat zou overal kunnen. Ik heb wat ik zag opgeschreven omdat de verhalen me raakten en heb nu de voldoening dat het is vastgelegd als een eerbetoon aan de mensen die in de verhalen voorkomen en de hoofdpersonen zijn. Het is een vorm van herdenken.”

Het boek ‘Panden die Verhalen, Een kleine oorlogsgeschiedenis van de Utrechtse Maliebaan’ is een uitgave van Matrijs en is te koop in de boekhandel. 

 

 



Inhoud